Werkwoorden in de tegenwoordige tijd
Ik word, jij wordt, word je, hij wordt. Met de stam en één regel over de t schrijf je elke vorm juist, ook als je de d niet hoort.
Onderwerpen
16 onderwerpen
Werkwoorden met d en t, de verleden tijd, het meervoud, hoofdletters en aan elkaar of los.
Ik word, jij wordt, word je, hij wordt. Met de stam en één regel over de t schrijf je elke vorm juist, ook als je de d niet hoort.
Werkte of werkde? De laatste letter van de stam beslist: staat die in 't kofschip, dan schrijf je -te, anders -de.
Gebeurd of gebeurt? Ge + stam + t of d, geen ge- na be-, ver- en zo meer, en een handige proef om te weten welke letter je schrijft.
Bomen of boomen, auto's of autos? Het meervoud krijgt -en of -s, en dan verandert soms de spelling. Met klankgroepen hoor je wat je schrijft.
Op maandag of op Maandag, Belgisch of belgisch? Een hoofdletter voor namen en aan het begin van de zin, en leestekens die zeggen hoe je een zin leest.
Pannenkoek, voetbalveld, te veel: samenstellingen schrijf je aan elkaar, soms met een tussen-n of tussen-s, en een paar woordgroepen blijven los.
Woordsoorten, de of het, zinsdelen en de buigings-e van het bijvoeglijk naamwoord.
Elk woord heeft een taak in de zin. Zelfstandig naamwoord, werkwoord, bijvoeglijk naamwoord, lidwoord, voorzetsel: met een paar vragen vind je ze.
De tafel, het huis, het tafeltje. Een paar regels helpen, voor de rest leer je het lidwoord samen met het woord. En het lidwoord bepaalt meer dan je denkt.
Elke zin draait om de persoonsvorm. Vind je die, dan vind je ook het onderwerp en het werkwoordelijk gezegde. En dan spel je werkwoorden zonder twijfel.
Een groot huis, het grote huis, een grote tafel. Wanneer krijgt een bijvoeglijk naamwoord een e, en wat gebeurt er dan met de spelling?
Synoniemen en tegenstellingen, spreekwoorden en voorzetsels die vast bij een woord horen.
Vaak of dikwijls, warm of koud. Met synoniemen wissel je af in je tekst, met tegenstellingen maak je duidelijk wat je bedoelt.
Een kat in de zak kopen, de kat uit de boom kijken. Wat de woorden zeggen en wat je ermee bedoelt, zijn twee verschillende dingen.
Wachten op, denken aan, bang zijn voor. Veel werkwoorden en bijvoeglijke naamwoorden hebben een vast voorzetsel. Je leert ze samen, als één blok.
Signaalwoorden, een goede alinea, een zakelijke mail, en standaardtaal naast tussentaal.
Want, maar, daarom, bovendien. Signaalwoorden tonen hoe zinnen met elkaar verbonden zijn. Wie ze herkent, begrijpt een tekst sneller en schrijft er een betere.
Een kernzin, een duidelijke volgorde en een passende aanhef en groet. Zo schrijf je een alinea die je lezer volgt en een mail die serieus genomen wordt.
Ge en gij tegen je vrienden, je en u in een schoolmail. Tussentaal is geen fout Nederlands, maar het past niet overal. Kies de taal die bij de situatie hoort.