Werkwoorden in de tegenwoordige tijd
Ik word, jij wordt, word je, hij wordt. Met de stam en één regel over de t schrijf je elke vorm juist, ook als je de d niet hoort.
Je kunt hier meteen beginnen: je hebt geen voorkennis nodig.
Waarom
Je stuurt je vriendin: Wanneer word je twaalf? Zij antwoordt: Ik wordt twaalf in maart. Wie heeft het juist geschreven?
Je hoort het verschil niet. Word, wordt en zelfs wort klinken precies hetzelfde. Op het gehoor schrijven helpt je hier dus niet.
Toch is er een regel die altijd werkt. Je zoekt de stam en kijkt dan wie het doet en waar die persoon staat. Jij had het juist: word je. Je vriendin niet: ik word.
Zie het
Kies een werkwoord en een persoon. Kijk wat er achter de stam komt: niets, een t of het hele werkwoord. Let op wat er gebeurt als je achter het werkwoord staat.
Beschrijving van het beeld
Een werkwoord wordt opgebouwd uit blokjes: de stam in een gemarkeerd blok, en daarachter in het groen een t, of niets. Bij ik staat er word, bij hij wordt, bij word je weer word.
Snap het
Elk werkwoord heeft een stam. Die vind je makkelijk: het is de vorm bij ik. Van werken is dat ik werk, van worden ik word, van vinden ik vind.
Bij ik schrijf je alleen de stam. Bij jij, je, u, hij, zij, het of een naam komt er een t achter: jij werkt, hij wordt, Sara vindt. Eindigt de stam al op t, dan komt er geen tweede bij: hij zet.
Eén uitzondering: staat je of jij achter het werkwoord, dan valt de t weg. Jij wordt maar word je. Bij hij en u blijft de t altijd: wordt hij, vindt u.
Is het meer dan één persoon (wij, jullie, zij, de kinderen), dan schrijf je het hele werkwoord: wij worden.
De d van de stam blijft altijd staan, ook al hoor je een t. Vinden heeft de stam vind, dus hij vindt, met d en t.
Stam + t bij jij, u, hij en zij. Alleen de stam bij ik en als je of jij achter het werkwoord staat. Het hele werkwoord in het meervoud.
Uitgewerkt voorbeeld
Vul in: … je morgen ook naar het feest? (gaan) en Mijn zus … morgen twaalf. (worden)
De stam van gaan is de ik-vorm: ik ga.
Je staat achter het werkwoord. Dan valt de t weg.
Ga je morgen ook naar het feest?
De stam van worden is ik word.
Mijn zus is één persoon, zoals zij: stam + t. De d van de stam blijft staan.
Mijn zus wordt morgen twaalf.
- Antwoord
Ga je en mijn zus wordt.
Doe het
Kies een niveau. Je krijgt telkens een nieuwe opgave, die meteen nagekeken wordt.
Valkuilen
Fout:
Ik wordtmorgen twaalf.Bij ik komt er nooit een t achter de stam.
Juist: Ik word morgen twaalf.
Fout:
Wordt jemorgen twaalf?Staat je achter het werkwoord, dan valt de t weg. Je hoort het niet, je moet het weten.
Juist: Word je morgen twaalf?
Fout: Hij
vintzijn jas niet.De stam is vind, met een d. Die d blijft staan, en bij hij komt er nog een t bij.
Juist: Hij vindt zijn jas niet.
Fout:
Wordhij morgen twaalf?De t valt alleen weg bij je en jij. Bij hij blijft hij staan, ook achter het werkwoord.
Juist: Wordt hij morgen twaalf?
In het echt
- Een berichtje in de klasgroep: Wanneer word je eigenlijk twaalf? of Wat vind jij van de film?
- Een schoolmail aan je leerkracht: Wordt de toets van vrijdag uitgesteld? Ik vind de datum niet terug.
- Op de menukaart van de frituur: Elke portie wordt vers gebakken.
Geschiedenis
De regels voor de spelling staan in de Woordenlijst Nederlandse Taal. Omdat die een groene kaft heeft, noemt iedereen haar het Groene Boekje. De eerste uitgave verscheen in 1954. Vandaag beslissen Nederland, Vlaanderen en Suriname samen over de spelling, via de Nederlandse Taalunie.
Aan tafel
Wie aan tafel kan de vorm van worden in deze zin juist spellen: Hoe oud … jij volgend jaar? En waarom staat er hier geen t achter?
Een vraag om samen over te praten, voor ouders en kinderen. Er is geen fout antwoord.